Landbouw: verschil tussen versies
| Regel 44: | Regel 44: | ||
In de loop van de 18e eeuw daalde het aantal personen die bezaaigeld betaalde. Ze hadden dus geen akkers meer, en werkten voortaan als dagloner bij een boer of buiten de landbouw. Bijvoorbeeld in de 17e en 18e eeuw opgekomen thuis linnen en bontweverijen. | In de loop van de 18e eeuw daalde het aantal personen die bezaaigeld betaalde. Ze hadden dus geen akkers meer, en werkten voortaan als dagloner bij een boer of buiten de landbouw. Bijvoorbeeld in de 17e en 18e eeuw opgekomen thuis linnen en bontweverijen. | ||
| + | |||
| + | ==19e eeuw== | ||
| + | Voor het overigen heeft Aarle-Rixtel ruim 1000 inwooners onder welke veele zich toeleggen op het laaten uitbroeden van jonge Ganzen en Hoenderen, en welke …. Eenen tak van koophandel uitmaakt. <ref>Boek: de stad en de meierij van 's Hertogenbosch 1825 blz 170 </ref> | ||
==20e eeuw== | ==20e eeuw== | ||
Versie van 21 mei 2023 09:50
Landbouw is het bewerken van het land voor de productie van plantaardige en of dierlijke producten.
Een boer / agrariër / landbouwer= iemand die een landbouwbedrijf leidt.
Landbouw in Aarle-Rixtel
Sinds de Neolithische revolutie in het midden oosten van ong. 10 000 jaar voor Christus, begon de samenleving over te gaan van een jager verzamelaars cultuur naar een cultuur van boeren die op een vaste plaats bleven.
Rond 5000 jaar voor Christus arriveerde deze boeren cultuur in het huidige Zuid-Limburg.
En later tussen 4 en 3 duizend jaar voor Christus via de maas richting het latere Kwartier Peelland.
4000 / 3000 voor Christus
Het leven als jager/verzamelaars maakte langzaam plaats voor een leven op een vaste plek als boer. De eerste nederzettingen ontstaan.
De nederzetting Aarle
De nederzetting Rixtel
17 / 18e eeuw
Boeren in Aarle-Rixtel hadden meestal zo'n 2,5 hectare grond. Waarvan ongeveer de helft akkerbouwland en de andere helft weiland.
Het waren gemengde bedrijven die zelfvoorzienend waren. Het vee op het weiland stond in dienst van de akkerbouw op de akker van de boer, ze leverde de mest. Het waren kleine gezinsbedrijven.
Akkerland / bouwland
Rogge -> in voorjaar gezaaid met de zaaikorf, maaien, hoopjes opgezet om te drogen, opstapelen tot een mijt (zomerperiode), dorsen met een dorsvlegel door de boer in de winter op lemen vloer hierdoor haalde men de graankorrel uit de plant, stro blijft over (voor daken te dekken, om op de potstal vloer te leggen) afdekken van aardappelen, vullen van matrassen en kaf (het omhulsel vliesje van de korrel) werd gebruikt om het kippenhok droog te houden, muren en plafond isoleren en dekbedden te vullen ->de molenaar maalt de graankorrel het tot meel -> de bakker bakt er brood van / en de boeren mestte hun varkens er mee vet.
Gerst
Tarwe
Haver -> voer voor het paard
Boekweit -> malen tot meel (vanaf 1390 in de Nederlanden).
Vezelvlas -> plukken, 2 weken in water rooten, buitenkant rot weg, vlasvezels bleven over, 3 weken op hooi of weiland drogenvlasvezels er uit halen met de vlasbraak om de vlas te breken, vezels hekelen met de weverskam -> spinnen linnen -> de wever maakt er laken van
Olievlas -> lijnzaadolie
aardappelen (uit Zuid-Amerika meegenomen door de Spanjaarden, rond 1588 in Mechelen, 1640 Groningen, 1689 in Amsterdam) hoofdvoedsel tegen einde 18e eeuw-> rooien in de herfst
Voedergewassen: voederbieten, wortelen, rogge, haver, spurrie (na de graanoogst werd spurrie gezaaid, herfstvoer voor vee), knolrapen
Weiland met vee / potstal
Koeien -> voor produceren van de mest voor het akkerland, vlees en melk. Melk om te drinken en melk om op het boerenerf boter van te maken. Tot 1894 verkochten de boeren hun boter op de markt van Helmond of in Aarle-Rixtel op een markt zie Jaarmarkt. Na 1894 konden ze hun melk ook verkopen aan de nieuwe Boterfabriek op Strijpsoord.
Schapen -> mest en vlees en wol.
Varkens -> vlees (net voor de winter slachten)
Kippen -> vlees en eieren. De eieren werden verkocht op de markten in Aarle-Rixtel of Helmond.
Moestuin Erwten, bonen
Hooiland
Grasland om hooi van te oogsten -> veevoer
De boer bewerkte de grond van de akker met een os (gecastreerde stier) en ploeg. Een armere boer gebruikt een koe, en een boer met nog minder middelen moet handmatig zelf met de eg de akker omwoelen en zaaiklaar maken.
De boer werkte zo'n 14 tot 15 uur op het land. [1]
In de loop van de 18e eeuw daalde het aantal personen die bezaaigeld betaalde. Ze hadden dus geen akkers meer, en werkten voortaan als dagloner bij een boer of buiten de landbouw. Bijvoorbeeld in de 17e en 18e eeuw opgekomen thuis linnen en bontweverijen.
19e eeuw
Voor het overigen heeft Aarle-Rixtel ruim 1000 inwooners onder welke veele zich toeleggen op het laaten uitbroeden van jonge Ganzen en Hoenderen, en welke …. Eenen tak van koophandel uitmaakt. [2]
20e eeuw
Na de Eerste Wereld Oorlog 1918 raakt kunstmest meer in gebruik. Daardoor is de potstal niet meer nodig als bron voor de mest voor de akker van de boer.
Het vee werd tot dan toe voornamelijk gehouden voor de productie van mest voor gebruik binnen het bedrijf, was nodig om de zandgronden vruchtbaar te maken, nu werden ze meer ingezet voor het grootschaliger produceren van vlees en melk voor verkoop.
De potstal werd omgebouwd tot grupstal. In de potstal liepen de koeien vrij rond, in de grupstal staan ze vastgebonden naast elkaar in de stal. 2 rijen met de koppen naar het midden. De koeien werden handmatig gemolken. Er werden meer koeien gehouden dan in een potstal, meer koeien is meer verkoop van vlees en melk, maar ook meer mest.
Er ontstond dus direct een mestoverschot dat werd opgevangen in mestvaalten en gierputten.
Boerderijen
In de eerste nederzettingen ontstaan dan ook de eerste huizen. [3]
1 Neolithisch Langhuis (20x7m, zadeldak, centrale rij palen met dakbalken tot de grond, 1 grote ruimte voor mens en dier)
2 Woonstalhuis vanaf 3000 voor Christus (2 rijen palen centraal, huis bestaat uit een apart stal en woon gedeelte)
3 het Hallehuis vanaf eind middeleeuwen / begin 16e eeuw (gebinten op poeren, (poer, stijl, ankerbalk, stijl, poer) 17e eeuw gemiddeld 5 gebinten, dak van stro, stal en woon deel met ingang stal en woondeel aan de 2 korte gevels) Verstenen vanaf 1e helft 17e eeuw.
4 Kortgevelboerderij vanaf 1e helft 19e eeuw. Een schuur werd tegen het hallehuis gebouwd. Nu één lang gebouw met een schuur / stal / woon gedeelte. (ingang schuur en potstal aan de lange zijde, ingang van het woondeel nog steeds aan de korte gevel
De potstal de koeien stonden in de wintermaanden binnen, op hun eigen mest, die werd regelmatig verspreid over de vloer met stro gemengd. In het voorjaar werd het land bemest met de mest uit de potstal.
5 Langgevelboerderij, boerderij die werd gebouw met een schuur, stal en woondeel achterelkaar. In oost Brabant vanaf 1865. Baksteen. Alle ingangen aan de lange gevel, oudste hebben nog gebinten, later geen gebinten de zolderbalk ligt direct op de muren, éénbeukig.
Begin 20e eeuw: dwarsgevels tot de nok in baksteen, meer dakpannen in plaats van stro.
Vanaf 1920 werd de mansardekap populair bij boerderijen.
Vanaf 1925 zie je voordeurportieken, de ramen in een T vorm, voorheen een 6 delig schuifraam. En vaker geen stal en schuurdeuren meer.
Vanaf 1940 rode dakpannen.
Eind jaren 50 van de 20e eeuw, de stal kwam vaker los van de woning te staan, maar met een gang er tussen.
Vanaf de jaren 60 van de 20e eeuw is de trend dat de woning altijd los staat van de stal.